De Brussels streektaal, een dialect doorspekt met zelfspot, relativering en joi de vivre. Brusselaars vinden het dan ook belangrijk dat hun streektaal behouden wordt. Daar helpt de organisatie Be Brusseleir bij, van het organiseren van Brussels volkstheater tot het geven van taallessen in het dialect. Algemeen directeur Geert Dehaes, geboren en getogen Brusselaar, hoopt het Brussels tussen de mensen te kunnen brengen en levend te houden. Al verloopt dat in coronatijden wat anders dan voorheen.
Dit interview is een voorgesprek naar aanleiding van een videoreportage.
Kunt u even kort uitleggen wie u bent en wat u doet?
Ik ben Geert Dehaes en ik ben algemeen directeur van Be Brusseleir. Be Brusseleir is een organisatie die zich inzet voor het behoud van de Brusselse streektaal, het Brussels dialect. En via allerlei projecten, academische projecten, evenementen, mediaprojecten, communicatieprojecten en Brussels Volkstejoêter. Zo hopen wij dat Brussels tussen de mensen te kunnen brengen en levend te houden.
Waaraan denkt u als u aan Brussel denkt?
Aan de mensen. Aan de mentaliteit van de mensen, van de gemeenschap, de zelfspot, de relativering van het leven. Daarin wordt Brussel onderscheiden van andere regio’s.
En als u aan het Brussels dialect denkt?
De mentaliteit zit erin verweven, dat kenmerkt het Brussels. Het Brussels is eigenlijk een taal die doorspekt is met de kenmerken van een Brusseleir, een manier van leven, een joie de vivre. De zelfspot bijvoorbeeld is 1 van de voornaamste (kenmerken). Dus dat is eigenlijk waar ik de taal en mensen aan link, begrijp je.
‘Het is een taal die de smile op het gezicht kan brengen, die grappig is, die sappig is’
Geert Dehaes
U vind het dus belangrijk dat het Brussels dialect wordt behouden. Waarom juist?
Waarom vind ik dat juist, ja, dat is eigenlijk een moeilijke vraag. Het Brussels is een authentieke taal, geschiedkundig en taalkundig. Als je in een evolutie zit van een stad waar meerdere gemeenschappen zich nu nog vormen, en waar er andere talen intreden, dan is het behoud van eigen taal van de stad ook wel belangrijk om een geheel te kunnen vormen. Dus dat is al, vind ik, een serieuze motivering om die taal te behouden. En twee, ja, het is een mooie taal, het maakt deel uit van het erfgoed, van het patrimonium, en het verbindt mensen met elkaar. Het is een taal die (doorspekt is met), die hoofdzakelijk Vlaamse achtergrond heeft, want het is Brussels Vloms, maar wel de Franse taal ook integreert(, of in haar samenstelling). Dat verbind mensen met elkaar, verschillende taalgemeenschappen. Daarom vind ik het belangrijk dat die taal blijft. En (twee) omdat die taal kenmerkend is, het is een taal die de smile op het gezicht kan brengen, die grappig is, die sappig is, die zwanst. En ook een beetje omdat dat in mij zit, ik ben opgegroeid in het Brussels, in het dialect, en ik heb dat altijd gesproken, het is een del van mij. Dat is een extra om dit te doen.
Hoe bent u begonnen met uw beroep?
Het heeft eigenlijk te maken met het Brussels Volkstejoêter dat we in 2000 hebben opgericht, hoewel ik ook al langer met het Brussels bezig was, dan niet in het Volkstejoêter maar in mijn eigen kunstenvereniging (die ik voordien had). En dan hebben ze me gevraagd mee het Volkstejoêter op te richten, en zo is dat gebleven. Op een dag hadden wij eind 2001, begin 2002 onze eerste theaterproductie, en dat was een enorm succes, dat wij iets hadden van ja oké, maar die organisatie kunnen wij niet vrijwillig blijven doen. Toen zijn wij gaan vragen aan de Brusselse regering om iemand te engageren of ons te subsidiëren. Dan heeft een kernteam van ministers besloten dat er iemand mocht gaan werken op het cabinet van de bevoegde Minister van Cultuur. Aangezien ik de jongere was van het gezelschap, dat ik ook daarvoor mijn studies heb gedaan, ik ben afgestudeerd aan het rits in assistent productie regie in tv, film en theater (meer gespecialiseerd in theater), was dat voor de hand liggend dat ik dat zou doen. Toen ik op dat kabinet toekwam zei die minister tegen mij, “Dat is allemaal goed en wel dat jij hier komt werken voor het Volkstejoêter, maar dat is te mager. Je gaat u meer moeten bezighouden met de streektaal.” Dat was toen heel projectmatig, niet dat daar een fond in zat van beleid van erfgoed, maar wel van, we moeten nog iets krachtig erbij hebben, buiten dat theater, om dat dialect naar voor te brengen. Dus dan ben ik begonnen met De Week Van Het Brussels, die ik nu al elk jaar sinds 2004 organiseer. En zo is dat allemaal beginnen lopen. Dan ben ik in 2004 op basis van een resolutie die ze hadden goedgekeurd in de Vlaamse gemeenschapscommissie (een Vlaamse afdeling van het Brussels gewest) die eigenlijk voorziet dat er een verankering kan zijn in het cultuurbeleid rond de streektaal. En op basis van die resolutie hebben wij een vereniging opgericht en ben ik daar beginnen werken. Die vereniging heette toen ARA, dat is een Brussels woord dat we gebruiken om “aahn voila” te zeggen. En in 2013 zijn alle verenigingen die toen apart bestonden als vzw verheffend en opgegaan in één vereniging en die heet Be Brusseleir. Zo zit het in mekaar.
Wat voor activiteiten worden er zoal naast het Brussels Volkstejoêter georganiseerd?
De week van het Brussels elk jaar, de verkiezing van de brusseleir van’t joer. Brussels Tuup, in samenwerking met de AB, daar gaan jonge gasten, muzikanten, groepen, singer-songwriters muziek maken in het Brussels. Dan wordt dat opgenomen en is er een toonmoment in de AB. Taallessen, studiebegeleiding, conferenties, filmpjes voor Bruzz,… Het gaat zeer breed, het is niet limitatief.
Hoe zitten die lessen in het dialect dan in mekaar?
Het zijn meer conversatietafels, het is niet de bedoeling dat het ‘naar school gaan’ is, van hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 3. Het is wel serieus, het is niet om te zieveren, ze krijgen ook huiswerk mee elke les. Het is op een luchtige manier de mensen het Brussels bijbrengen. Het zijn verschillende publieken, je hebt mensen die al Brussels spreken en het willen aanscherpen, je hebt mensen die het helemaal niet spreken, een beetje praten, die van buiten Brussel zijn, … we zitten met een heel divers publiek. Elk jaar organiseren wij zo’n reeks van een 14tal lessen over woordenschat, schrijven, zich voorstellen, … dat mensen praktiseren met het Brussels.
Hoe verlopen die lessen tijdens de coronacrisis?
Dat ligt allemaal stil momenteel. Fysisch gezien mag je geen mensen bij elkaar brengen. We zijn nu wel bezig met een heel grote communicatie-??? dat zich zal realiseren volgend jaar. We gaan met een andere naam en huisstijl en doelstelling naar buiten treden omdat we onze doelgroep willen uitbreiden. Meer community maken. Nu hebben wij een vereniging die instaat voor de communicatie van die projecten en we hebben een communicatie die dat steunt om dat bekend te maken. Nu gaan we de richting ingaan dat we een community gaan vormen, daar projecten rond gaan doen en dat dat de catalisator wordt van onze projecten die we fysiek gaan organiseren. Dat van daar uit de mensen komen die belangstelling hebben voor de projecten die we naar buiten brengen.
Wat voor doelgroep probeert u dan te bereiken?
Het gaat heel breed. We gaan natuurlijk zoeken naar de verjonging. Naar de jonge generaties. Daar gaat onze focus naartoe, om de toekomst te vrijwaren. En dan heb je natuulijk die tweede groep, de mensen die helemaal geen feeling hebben met de taal en niet van hier zijn. Om die toch wat mee te geven rond het dialect. Eerste doel is wel inzetten op verjonging. We gaan bv sterk werken rond sociale media, daar komt een hele content in. We gaan onze partners goed belichten , mensen in de picture zetten. Mensen uitdagen om in het Brussels iets te maken, of te oefenen. Het is een change van de klassieke structuur van een organisatie.
Denkt u dat de cafécultuur iets te maken heeft met het dialect?
De cafécultuur zal zeker een grote partner kunnen vormen daarin. Het is ook een omgangstaal, het is niet zo dat wij momenteel de ambitie hebben dat morgen in officiële omgevingen het dialect te spreken. Het moet meer van de mensen worden, en wanneer hebben mensen iets, als ze het kunnen uitdrukken in hun vrije tijd. Dan zijn ze meer identificeerbaar. Als je gaat werken sluit je je aan in een groep om een opdracht uit te voeren, dat bepaalt niet jouw leven. Op café gaan is 1 van die dingen. Er zijn genoeg Brusselse cafés, en ondertussen ook al cafés in de rand rond Brussel waar veel Brusseleirs hun pintje komen drinken, ook jongeren. Ik denk wel dat de jongeren daar goesting in hebben om met die taal om te gaan. Ik kom veel jonge mensen tegen die zeggen “zo spijtig dat ik dat nooit hebben geleerd, dat mijn ouders dat nooit hebben gesproken met mij”. Dat heeft ook te maken met dat men de dag van vandaag uw vrouw, man, vriend, vriendin, niet meer tegenkomt achter de kerktoren, maar van een aantal dorpen verder, met een heel ander dialect. Om dat gemakkelijk te houden doen ze het dan gewoon in het algemeen Nederlands. Dat moet natuurlijk wel om alles duidelijk te maken, maar het is natuurlijk spijtig.
Hoe denkt u dat het Brussels dialect zich zal ontwikkelen de komende jaren?
Dat is een beetje koffiedik kijken hè, dat weten we natuurlijk niet. We hebben geen glazen bol, maar we hopen dat het Brussels meer gesproken gaat worden. De context van de stad en het leven nu bepaalt dat ook mee. Vroeger leefden mensen meer onder elkaar in het dorp, je bracht daar je leven door, nu is dat niet meer. Dat zijn allemaal factoren die dat beïnvloeden. Ik hoop natuurlijk dat het Brussels plaats krijgt in de toekomst. Het is aan ons dan weer om open te staan dat dat invloeden heeft die nieuw zijn. We moeten ook de evolutie van andere talen hierin toelaten. Bijvoorbeeld jongeren in Brussel zeggen tegen het Sint-Katelijneplein ‘de Saint-Kat’, dat is nu geen Brussels woord, maar het maakt uit van de Brusselse taal. Dat moet je toelaten. Niet zeggen van “aahn neen, Brusseleirs zeggen Place Saint-Catherin!” dat is ook zo, alle plaatsen en straten worden in het Brussels in het frans aangehaald, maar als dat nu niet meer zo is, en de jongeren de dag van vandaag ‘de Saint-Kat’ dan integreer je dat gewoon in je taal. ‘Computer’ kan je ook zeggen, neen, dat is niet juist, het is een ordinateur, maar computer is ook een Brussels woord. Geen portabel maar een laptop, dat zijn allemaal zaken die de taal al lieten evolueren tegenover bijvoorbeeld 10 jaar terug. Dat is onvermijdelijk. Ik spreek ook niet meer met het accent van Brusseleirs die drie-vier generaties ouder zijn dan ik. De referentie daarvan is bijvoorbeeld de voetbaltrainer Raymond Goedhals, als je die mens hoort praten, dat is een heel ander accent dan mij. En hoe komt dat ook, ja, ik praat zo veel mogelijk Brussels, maar om elkaar nu te begrijpen in dit interview praat ik (algemeen) Nederlands, en ik spreek met mijn medewerkster op het bureau (algemeen) Nederlands. Het is niet meer zo dat dat iets continue is. Er verdwijnen wel een aantal vloeiende, herkenbare accenten.
‘We hebben geprobeerd ons niet neer te laten sabelen’
Geert Dehaes
Hoe heeft de coronacrisis uw job beïnvloed? Dat heeft eigenlijk mijn job niet beïnvloed. Het heeft wel meegebracht dat je dingen niet kan organiseren, zoals theater bijvoorbeeld. Maar we hebben onze rug altijd gerecht en het op een andere manier aangepakt. We hebben bijvoorbeeld tijdens de eerste lockdown in het voorjaar het project ‘TV tegen corona’. Wij hebben elke dag filmpjes gepost, de mensen getrakteerd via de regionale media, Bruzz en RingTV, theatervoorstellingen gedaan (???). We hebben geprobeerd ons niet neer te laten sabelen en niet gezegd van ‘het mag niet meer buiten, dus we moeten binnen blijven. Dat is eigenlijk ook een beetje het karakter van onze organisatie, dat we proberen door de stront te gaan. Proberen recht te blijven staan. Daarom zeg ik dat mijn job niet veranderd is, omdat ik er vollenbak voor ga en blijf gaan.
